Dertig keer de oppervlakte van het Zoniënwoud, vier soorten bos, een spookdorp in de wolken en onder de dorre bladeren ook een plant die nog nooit eerder beschreven werd en er leeft… zonder zonlicht! Welkom in Thong Pha Phum, één van de minst bezochte nationale parken van Thailand.
Een relatief jong nationaal park tegen de grens met Myanmar
We bevinden ons in de provincie Kanchanaburi, bekend van de brug over de rivier de Kwai. Maar dan wel 175 kilometer ten noordwesten van de stad, waar de weg stevig begint te klimmen. Het Thong Pha Phum National Park strekt zich uit over 1.236 km² langs de grens met Myanmar. Dat is bijna dertig keer de oppervlakte van het Zoniënwoud! Het park is weinig bekend en trekt ook relatief weinig bezoekers. Bovendien behoort het tot de jongere nationale parken van het land: het kreeg pas eind december 2009 officieel die status.
Vier bostypes boven elkaar en een top van 1.249 meter
Wat deze streek zo bijzonder maakt, is het reliëf. Naarmate je hoger klimt, trek je achtereenvolgens door gemengd loofbos, droog groenblijvend bos, tropisch regenwoud en bergwoud. Het hoogste punt, Khao Chang Phueak, ligt op 1.249 meter. Het is de hoogste top van de provincie en tijdens het droge seizoen een populaire trektocht bij Thaise wandelaars, vaak met een overnachting in een tent.
Voor de klassieke mooie plaatjes zijn er de Chok Kradin-waterval, die 30 meter naar beneden stort, de Khao Yai-waterval met drie niveaus, de grot van Khao Noi met zijn Boeddhabeelden en het uitzichtpunt van Khao Khat. Ook de fauna mag er zijn: in het park vind je 24 soorten zoogdieren en 149 vogelsoorten.
399 bochten naar een oud mijnwerkersdorp in de wolken
Één van de meest spectaculaire plekken in de streek ligt iets hogerop, in hetzelfde district: Ban E-Tong. Het is een gehucht op 1.000 meter hoogte, vlak bij de voormalige Pilok-mijn, waar tin gewonnen werd. Rond 1940 draaide de mijn op volle toeren, met ongeveer 600 arbeiders. Maar halverwege de jaren 80 kwam daar een einde aan toen de grondstofprijzen instortten.
Het dorp overleefde door zich op toerisme te richten: enkele homestays, een markt, een tempel en een vijver. De weg ernaartoe staat bekend om zijn 399 bochten. Vanuit Kanchanaburi ben je zo’n drieënhalf uur onderweg over een smalle weg die vaak in mist gehuld is. Veel succes…
En dan, onder de dorre bladeren… de duivel! Of alleszins zijn bloem…
In dit decor ontdekte een team van de universiteiten Chulalongkorn en Prince of Songkla een klein zwart plantje tussen het bladerdek. De naam? Thismia daemona, oftewel de duivelsbloem! Dat klinkt behoorlijk sinister, maar je begrijpt meteen waarom: de bloem is bijna volledig zwart, heeft bovenaan een soort kap met drie hoornvormige uitsteeksels en aan de basis twee roodoranje vlekken die opvallend veel op ogen lijken.
Het meest bijzondere is dat de plant geen chlorofyl bevat en dus niet aan fotosynthese doet. Ze haalt haar voedingsstoffen uit ondergrondse schimmels en brengt het grootste deel van haar leven onder de grond door. Alleen tijdens de bloei komt ze boven.
Te zien, maar kijk goed waar je stapt
Er is tot nu toe maar één populatie gevonden: minder dan 50 exemplaren op een oppervlakte die kleiner is dan een voetbalveld! De soort is voorlopig ingedeeld als ernstig bedreigd. Het park zelf is toegankelijk voor bezoekers. Maar kijk dus goed waar je je voeten zet!